[Een ingekorte versie van dit artikel is net verschenen als opiniestuk op Geloof & Wetenschap.]

Rond 1990 is er een nieuw wetenschapsgebied ontstaan dat de jaren daarna een grote bloei heeft doorgemaakt: cognitive science of religion (CSR). In dit vakgebied wordt gezocht naar wetenschappelijke verklaringen voor religie, op de raakvlakken van antropologie, sociologie, psychologie, neurowetenschappen en (evolutie)biologie. Deze bloei heeft tot verschillende hypothesen en deelverklaringen geleid, ofschoon een omvattende theorie momenteel nog ontbreekt (al is een recente aanzet daartoe gegeven door Van Leeuwen en Van Elk (2018)). Wat deze CSR-verklaringen voor religie gemeen hebben, is dat ze naturalistische  verklarende mechanismen geven voor religie, in tegenstelling tot de traditionele bovennatuurlijke verklaringen (bijvoorbeeld: we hebben religie X omdat god Y zich geopenbaard heeft). Een interessante filosofische en theologische vraag die CSR heeft opgeleverd, is wat dergelijke verklaringen betekenen voor de geloofwaardigheid van religieuze overtuigingen, zoals het bestaan van God en diens vermeende openbaring aan de mens. 

Gevolgen voor de geloofwaardigheid van religie
Een veelgehoord idee, vooral onder atheïsten, is dat zo'n wetenschappelijke verklaring religieuze overtuigingen ongeloofwaardig maakt: ze zouden ondermijnend of debunkend (ontmaskerend) werken. Er wordt ook wel gesproken over wegverklaren. Gelovigen hebben echter tegengeworpen dat dit niet zo hoeft te zijn en mogelijk ook niet het geval is. Deze kritiek is recentelijk ook gegeven door Hans van Eyghen in een opniebijdrage en in een academisch artikel (Van Eyghen, 2018). Hij is niet de enige, noch de eerste die met dergelijke tegenwerpingen komt (o.a. Plantinga, 2011; Jong & Visala, 2014; Van den Brink, 2017). Ik zal hieronder betogen waarom deze tegenwerpingen niet steekhoudend zijn en laten zien hoe CSR wel degelijk debunkend werkt. 

Als eerste dient echter opgemerkt te worden dat een wetenschappelijke verklaring, die naturalistisch is, van een bepaald verschijnsel of mechanisme dit niet noodzakelijk ongeloofwaardig of onbetrouwbaar maakt. Een wetenschappelijke verklaring voor het fenomeen wetenschap maakt wetenschap niet ongeloofwaardig, noch wordt ons gezichtsvermogen onbetrouwbaar als we daar een goede fysiologische verklaring voor hebben. Ook is het duidelijk dat een naturalistische verklaring voor godsgeloof sec het bestaan van God niet ongeloofwaardig maakt, want er kunnen goede andere argumenten zijn die Zijn bestaan aannemelijk maken. We moeten dus preciezer zijn in hoe CSR precies debunkend werkt en wat er precies ondermijnd wordt. Volgens mij gebeurt dat op een aantal verschillende manieren. Hierbij ga ik ervan uit dat de huidige (deel)verklaringen zullen uitgroeien tot een volwaardige naturalistische verklaring naarmate het CSR-vakgebied volwassen wordt. 

In de eerste plaats maakt een naturalistische verklaring een bovennatuurlijke verklaring overbodig. Dit geldt zowel voor het ontstaan van complete religies als een vermeende persoonlijke openbaring. De gelovige kan echter tegenwerpen dat het niet is uitgesloten dat God naturalistische wegen heeft gebruikt om Zijn bovennatuurlijke bestaan kenbaar te maken. God kan immers indirect, via naturalistische wegen, toch bovennatuurlijke invloed uitoefenen. Laten we dit de indirecte bovennatuurlijke weg (IBW) noemen: God zit achter of werkt door de naturalistische weg. Daarvoor zal de gelovige echter extra argumenten moeten aandragen, want hiervoor is geen enkele directe evidentie, waardoor er dus prima facie (op het eerste gezicht, zonder verdere weerlegging) sprake is van ondermijning. We mogen de bovennatuurlijke component in de verklaring (de IBW) dan ook met het scheermes van Ockham wegsnijden. 

Een analogie kan gemaakt worden met een scepticus en een gelovige in het paranormale die zich in een 'spookhuis' bevinden. De gelovige zal vreemde geluiden op een bovennatuurlijke manier verklaren (ronddolende geesten), maar de scepticus op een naturalistische manier (bijvoorbeeld de wind). Bij deze verklaring van de scepticus kan de gelovige hem echter tegenwerpen dat de geesten ook door de wind hun bestaan kenbaar kunnen maken (een IBW dus). Voor deze IBW is echter (prima facie) geen enkele evidentie, dus werkt de naturalistisch verklaring ondermijnend, net als bij een naturalistische verklaring voor religie. 

Bedenk ook dat deze ondermijning er niet hoeft te zijn. Stel dat alleen christelijke religieuze ervaringen geen enkele (natuurlijke) oorzaak in het brein lijken te hebben, terwijl andere ervaringen goed via CSR-mechanismen naturalistisch verklaarbaar zijn. Dit zou sterk tegen het naturalisme pleiten en voor een bovennatuurlijke oorsprong van het christelijk geloof. Dit is evenwel niet het geval, precies wat je mag verwachten als naturalisme waar is. 

Is de ondermijning te ondermijnen?
De gelovige kan echter tegenwerpen dat naturalistisch verklaringen weliswaar prima facie ondermijnend werken, maar dat er verder goede argumenten zijn om aan te nemen dat God bestaat en Hij zich aan ons wil openbaren. Met deze strategie zijn echter een aantal problemen. Deze argumenten zijn op z'n best discutabel (Oppy, 2006; Philipse, 2012). Ze werpen ook een nieuw probleem op, namelijk hoe God interactie heeft met deze wereld: hoe moeten we Gods ingrijpen (direct of indirect) rijmen met de natuurwetten, de zeer stevig onderbouwde behoudswetten in het bijzonder? 

Als God zich bijvoorbeeld tijdens gebed aan een gelovige openbaart, zal deze openbaring ergens moeten inbreken op de natuurlijke werking van het lichaam, het brein in het bijzonder. Hiervoor is echter geen enkele evidentie en dit lijkt ook problematisch gezien de behoudswetten. Zuiver naturalistische verklaringen hebben dit probleem niet. Deze maken gebruik van sociologische, psychologische en biologische mechanismen die onderdeel zijn van het bredere naturalistische kader dat de wetenschappen ons schetsen (Carroll, 2016). Dit is meteen de tweede manier waarop CSR debunkend werkt: bovennatuurlijke elementen of toevoegingen (IBW's) conflicteren met het naturalisme, terwijl de zuiver naturalistische verklaringen van CSR dat niet doen en juist perfect passen in het grotere naturalistische geheel. Ook wordt het openbaringsargument sec (God bestaat omdat ik dat zo ervaar) ondermijnd met een volledig naturalistische verklaring. 

Voorts is er nog een probleem met de IBW of direct goddelijk ingrijpen: hoe valt te verklaren dat een waarheidminnende God zoveel onjuiste (want polytheïstische of animistische) religies heeft laten ontstaan? Van Eyghen erkent dit probleem, maar wijst erop dat het grootste deel van de wereldbevolking monotheïst is. Dat mag misschien nu zo zijn (al is dit slechts een krappe meerderheid), maar monotheïsme is een relatief recente uitvinding, maximaal zo'n 4.000 jaar oud, terwijl de mensheid al zo'n 200.000 jaar bestaat. Als we uitgaan van de waarheid van het christendom, wordt dit problemen alleen maar groter, want dan dwalen ook de joden en moslims omdat zij de goddelijkheid van Christus niet accepteren. Verklaringen als de zondeval en een sensus divinitatis zijn wetenschappelijk ongeloofwaardig, ad hoc en doen aan special pleading (de juistheid van het christendom en onjuistheid van andere religies wordt al verondersteld) (voor verdere kritiek, zie Fales, 2003). Zuiver naturalistische verklaringen hebben al deze problemen echter niet en genieten daarom de voorkeur. Ook zo wordt de geloofwaardigheid van het monotheïsme, en het christendom in het bijzonder, ondergraven.

CSR kan ook nog op een andere manier ondermijnend werken, vooral in het geval van verklaringen die religie als een bijproduct zien van mechanismen die meestal juiste overtuigingen opleveren, maar in het geval van religie niet. Of deze mechanismen betrouwbaar zijn, hangt namelijk af van de context waarin ze worden gebruikt. Zo is het concluderen van teleologie (doelmatigheid) terecht in het geval van een scherpe stenen vuistbijl, maar niet in het geval van een scherpe punt op een rots. Deze overtuiging van doelmatigheid is gerechtvaardigd omdat we om allerlei verschillende redenen weten dat vuistbijlen het gevolg zijn van een doelmatig proces, maar rotsen niet. Voor de CSR-mechanismen die religieuze overtuigingen opleveren, zijn deze rechtvaardigingen er prima facie echter niet. De gelovige zal hiervoor extra argumenten in stelling moeten brengen, maar dan loopt hij tegen de problemen aan die hierboven geschetst zijn. CSR werkt dus ook ondermijnend wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat de overtuigingvormende mechanismen in de religieuze context onbetrouwbaar blijken. 

Maar doet een vergelijkbaar probleem zich niet voor in het dagelijks leven, met onze gewone waarneming en boerenverstand? Daarmee zitten we er toch ook vaak genoeg naast? Toch zien we deze mechanismen niet als onbetrouwbaar in het vormen van juiste overtuigingen. Waarom is dat bij religieuze mechanismen dan wel een probleem? Hierop zijn twee antwoorden te geven. Het eerste is dat onze gewone waarneming en boerenverstand maar in een beperkte context betrouwbaar zijn. We weten dat gewone waarneming niet in staat is de samenstelling van de zon te bepalen en dat we met ons boerenverstand de kwantummechanica niet kunnen begrijpen. In die context weten we dus dat ze onbetrouwbaar zijn, en om een goede reden: dat zou evolutionair gezien zinloos zijn. Ten tweede weten we ook dat ze in de context van het dagelijks leven wél betrouwbaar zijn omdat er tussen deze mechanismen een grote consistentie is (zintuigen bevestigen elkaar), er interindividueel een grote consistentie is (mensen nemen hetzelfde waar) en het wérkt (je kunt er bijvoorbeeld goed eten of de weg mee vinden). Hierdoor kunnen we deze overtuigingen ook goed toetsen, een zeer belangrijk principe. Daarnaast snijdt dit evolutionair gezien goed hout. 

Wetenschappers hebben deze dagelijkse mechanismen verfijnd, gesystematiseerd en uitgebreid met allerlei correctiemechanismen en instrumenten, waardoor zij nóg betrouwbaardere mechanismen hebben ontwikkeld, die ook nog eens toepasbaar zijn in een veel bredere context. Dit alles geldt niet voor religieuze mechanismen: die leveren weinig consistente resultaten op (veel onverenigbare overtuigingen), verschillen sterk van persoon tot persoon en de resultaten zijn ontoetsbaar of blijken bij verdere toetsing onjuist. Ze zijn daarmee onbetrouwbaar in het opleveren van juiste overtuigingen. 

Andere voordelen?
Maar als deze mechanismen weliswaar geen juiste overtuigingen opleveren, kunnen ze dan niet alsnog andere nuttige zaken opleveren, zoals spirituele voldoening of misschien wel gezondheidsvoordelen? Van Eyghen wijst hier ook op. Dat is mogelijk, maar de discussie hierover is complex en verre van beslecht (Boudry, 2015). Voor het al dan niet ondermijnend zijn van CSR maakt dit evenwel weinig uit. Nuttige effecten kunnen immers ook placebo-effecten zijn, een welbekend fenomeen uit de geneeskunde. Daarnaast kan dit argument opgevoerd worden voor elke religie of levensbeschouwing, ook die onverenigbaar zijn met het christelijk geloof (zoals hindoeïsme of boeddhisme). Positieve effecten van bepaalde religieuze overtuigingen wijzen dus geenszins op de juistheid ervan. 

De naturalistische verklaringen die CSR oplevert, werken dus wel degelijk ondermijnend, zeker wanneer ze geplaatst worden in een breder naturalistisch kader. De tegenwerpingen die hiertegen in worden gebracht, dwingen tot nuance, maar zijn uiteindelijk niet in staat om prima facie debunking te voorkomen. 


Referenties
Boudry, M. (2015). Illusies voor gevorderden.Polis.

Carroll, S. B. (2016). The big picture.Dutton 

Fales, E. (2003). Alvin Plantinga's Warranted Christian Belief. Noûs, 37(2), 353-370.

Jong, J., & Visala, A. (2014). Evolutionary debunking arguments against theism, reconsidered. International Journal for Philosophy of Religion76(3), 243-258.

Oppy, G. (2006). Arguing about gods. Cambridge University Press.

Philipse, H. (2012). God in the age of science?: A critique of religious reason. Oxford University Press.

Plantinga, A. (2011). Where the conflict really lies: Science, religion, and naturalism. Oxford University Press. (mijn recensie)

Van den Brink, G. (2017). En de aarde bracht voort: Christelijk geloof en evolutie. Uitgeverij Boekencentrum. (mijn recensie)

Van Eyghen, H. (2018). Is supernatural belief unreliably formed?. International Journal for Philosophy of Religion, 1-24.

Van Leeuwen, N., & van Elk, M. (2018). Seeking the supernatural: The interactive religious experience model. Religion, Brain & Behavior, 1-31.

 

Wie zijn er online?

We hebben 52 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Woody AllenWoody Allen, Amerikaans regisseur, acteur en schrijver.

Citaat

De atheïst is niet arrogant. Hij denkt alleen beter na.

~ Herman Philipse

[Een ingekorte versie van dit artikel is net verschenen als opiniestuk op Geloof & Wetenschap.]

Rond 1990 is er een nieuw wetenschapsgebied ontstaan dat de jaren daarna een grote bloei heeft doorgemaakt: cognitive science of religion (CSR). In dit vakgebied wordt gezocht naar wetenschappelijke verklaringen voor religie, op de raakvlakken van antropologie, sociologie, psychologie, neurowetenschappen en (evolutie)biologie. Deze bloei heeft tot verschillende hypothesen en deelverklaringen geleid, ofschoon een omvattende theorie momenteel nog ontbreekt (al is een recente aanzet daartoe gegeven door Van Leeuwen en Van Elk (2018)). Wat deze CSR-verklaringen voor religie gemeen hebben, is dat ze naturalistische  verklarende mechanismen geven voor religie, in tegenstelling tot de traditionele bovennatuurlijke verklaringen (bijvoorbeeld: we hebben religie X omdat god Y zich geopenbaard heeft). Een interessante filosofische en theologische vraag die CSR heeft opgeleverd, is wat dergelijke verklaringen betekenen voor de geloofwaardigheid van religieuze overtuigingen, zoals het bestaan van God en diens vermeende openbaring aan de mens. 

Gevolgen voor de geloofwaardigheid van religie
Een veelgehoord idee, vooral onder atheïsten, is dat zo'n wetenschappelijke verklaring religieuze overtuigingen ongeloofwaardig maakt: ze zouden ondermijnend of debunkend (ontmaskerend) werken. Er wordt ook wel gesproken over wegverklaren. Gelovigen hebben echter tegengeworpen dat dit niet zo hoeft te zijn en mogelijk ook niet het geval is. Deze kritiek is recentelijk ook gegeven door Hans van Eyghen in een opniebijdrage en in een academisch artikel (Van Eyghen, 2018). Hij is niet de enige, noch de eerste die met dergelijke tegenwerpingen komt (o.a. Plantinga, 2011; Jong & Visala, 2014; Van den Brink, 2017). Ik zal hieronder betogen waarom deze tegenwerpingen niet steekhoudend zijn en laten zien hoe CSR wel degelijk debunkend werkt. 

Als eerste dient echter opgemerkt te worden dat een wetenschappelijke verklaring, die naturalistisch is, van een bepaald verschijnsel of mechanisme dit niet noodzakelijk ongeloofwaardig of onbetrouwbaar maakt. Een wetenschappelijke verklaring voor het fenomeen wetenschap maakt wetenschap niet ongeloofwaardig, noch wordt ons gezichtsvermogen onbetrouwbaar als we daar een goede fysiologische verklaring voor hebben. Ook is het duidelijk dat een naturalistische verklaring voor godsgeloof sec het bestaan van God niet ongeloofwaardig maakt, want er kunnen goede andere argumenten zijn die Zijn bestaan aannemelijk maken. We moeten dus preciezer zijn in hoe CSR precies debunkend werkt en wat er precies ondermijnd wordt. Volgens mij gebeurt dat op een aantal verschillende manieren. Hierbij ga ik ervan uit dat de huidige (deel)verklaringen zullen uitgroeien tot een volwaardige naturalistische verklaring naarmate het CSR-vakgebied volwassen wordt. 

In de eerste plaats maakt een naturalistische verklaring een bovennatuurlijke verklaring overbodig. Dit geldt zowel voor het ontstaan van complete religies als een vermeende persoonlijke openbaring. De gelovige kan echter tegenwerpen dat het niet is uitgesloten dat God naturalistische wegen heeft gebruikt om Zijn bovennatuurlijke bestaan kenbaar te maken. God kan immers indirect, via naturalistische wegen, toch bovennatuurlijke invloed uitoefenen. Laten we dit de indirecte bovennatuurlijke weg (IBW) noemen: God zit achter of werkt door de naturalistische weg. Daarvoor zal de gelovige echter extra argumenten moeten aandragen, want hiervoor is geen enkele directe evidentie, waardoor er dus prima facie (op het eerste gezicht, zonder verdere weerlegging) sprake is van ondermijning. We mogen de bovennatuurlijke component in de verklaring (de IBW) dan ook met het scheermes van Ockham wegsnijden. 

Een analogie kan gemaakt worden met een scepticus en een gelovige in het paranormale die zich in een 'spookhuis' bevinden. De gelovige zal vreemde geluiden op een bovennatuurlijke manier verklaren (ronddolende geesten), maar de scepticus op een naturalistische manier (bijvoorbeeld de wind). Bij deze verklaring van de scepticus kan de gelovige hem echter tegenwerpen dat de geesten ook door de wind hun bestaan kenbaar kunnen maken (een IBW dus). Voor deze IBW is echter (prima facie) geen enkele evidentie, dus werkt de naturalistisch verklaring ondermijnend, net als bij een naturalistische verklaring voor religie. 

Bedenk ook dat deze ondermijning er niet hoeft te zijn. Stel dat alleen christelijke religieuze ervaringen geen enkele (natuurlijke) oorzaak in het brein lijken te hebben, terwijl andere ervaringen goed via CSR-mechanismen naturalistisch verklaarbaar zijn. Dit zou sterk tegen het naturalisme pleiten en voor een bovennatuurlijke oorsprong van het christelijk geloof. Dit is evenwel niet het geval, precies wat je mag verwachten als naturalisme waar is. 

Is de ondermijning te ondermijnen?
De gelovige kan echter tegenwerpen dat naturalistisch verklaringen weliswaar prima facie ondermijnend werken, maar dat er verder goede argumenten zijn om aan te nemen dat God bestaat en Hij zich aan ons wil openbaren. Met deze strategie zijn echter een aantal problemen. Deze argumenten zijn op z'n best discutabel (Oppy, 2006; Philipse, 2012). Ze werpen ook een nieuw probleem op, namelijk hoe God interactie heeft met deze wereld: hoe moeten we Gods ingrijpen (direct of indirect) rijmen met de natuurwetten, de zeer stevig onderbouwde behoudswetten in het bijzonder? 

Als God zich bijvoorbeeld tijdens gebed aan een gelovige openbaart, zal deze openbaring ergens moeten inbreken op de natuurlijke werking van het lichaam, het brein in het bijzonder. Hiervoor is echter geen enkele evidentie en dit lijkt ook problematisch gezien de behoudswetten. Zuiver naturalistische verklaringen hebben dit probleem niet. Deze maken gebruik van sociologische, psychologische en biologische mechanismen die onderdeel zijn van het bredere naturalistische kader dat de wetenschappen ons schetsen (Carroll, 2016). Dit is meteen de tweede manier waarop CSR debunkend werkt: bovennatuurlijke elementen of toevoegingen (IBW's) conflicteren met het naturalisme, terwijl de zuiver naturalistische verklaringen van CSR dat niet doen en juist perfect passen in het grotere naturalistische geheel. Ook wordt het openbaringsargument sec (God bestaat omdat ik dat zo ervaar) ondermijnd met een volledig naturalistische verklaring. 

Voorts is er nog een probleem met de IBW of direct goddelijk ingrijpen: hoe valt te verklaren dat een waarheidminnende God zoveel onjuiste (want polytheïstische of animistische) religies heeft laten ontstaan? Van Eyghen erkent dit probleem, maar wijst erop dat het grootste deel van de wereldbevolking monotheïst is. Dat mag misschien nu zo zijn (al is dit slechts een krappe meerderheid), maar monotheïsme is een relatief recente uitvinding, maximaal zo'n 4.000 jaar oud, terwijl de mensheid al zo'n 200.000 jaar bestaat. Als we uitgaan van de waarheid van het christendom, wordt dit problemen alleen maar groter, want dan dwalen ook de joden en moslims omdat zij de goddelijkheid van Christus niet accepteren. Verklaringen als de zondeval en een sensus divinitatis zijn wetenschappelijk ongeloofwaardig, ad hoc en doen aan special pleading (de juistheid van het christendom en onjuistheid van andere religies wordt al verondersteld) (voor verdere kritiek, zie Fales, 2003). Zuiver naturalistische verklaringen hebben al deze problemen echter niet en genieten daarom de voorkeur. Ook zo wordt de geloofwaardigheid van het monotheïsme, en het christendom in het bijzonder, ondergraven.

CSR kan ook nog op een andere manier ondermijnend werken, vooral in het geval van verklaringen die religie als een bijproduct zien van mechanismen die meestal juiste overtuigingen opleveren, maar in het geval van religie niet. Of deze mechanismen betrouwbaar zijn, hangt namelijk af van de context waarin ze worden gebruikt. Zo is het concluderen van teleologie (doelmatigheid) terecht in het geval van een scherpe stenen vuistbijl, maar niet in het geval van een scherpe punt op een rots. Deze overtuiging van doelmatigheid is gerechtvaardigd omdat we om allerlei verschillende redenen weten dat vuistbijlen het gevolg zijn van een doelmatig proces, maar rotsen niet. Voor de CSR-mechanismen die religieuze overtuigingen opleveren, zijn deze rechtvaardigingen er prima facie echter niet. De gelovige zal hiervoor extra argumenten in stelling moeten brengen, maar dan loopt hij tegen de problemen aan die hierboven geschetst zijn. CSR werkt dus ook ondermijnend wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat de overtuigingvormende mechanismen in de religieuze context onbetrouwbaar blijken. 

Maar doet een vergelijkbaar probleem zich niet voor in het dagelijks leven, met onze gewone waarneming en boerenverstand? Daarmee zitten we er toch ook vaak genoeg naast? Toch zien we deze mechanismen niet als onbetrouwbaar in het vormen van juiste overtuigingen. Waarom is dat bij religieuze mechanismen dan wel een probleem? Hierop zijn twee antwoorden te geven. Het eerste is dat onze gewone waarneming en boerenverstand maar in een beperkte context betrouwbaar zijn. We weten dat gewone waarneming niet in staat is de samenstelling van de zon te bepalen en dat we met ons boerenverstand de kwantummechanica niet kunnen begrijpen. In die context weten we dus dat ze onbetrouwbaar zijn, en om een goede reden: dat zou evolutionair gezien zinloos zijn. Ten tweede weten we ook dat ze in de context van het dagelijks leven wél betrouwbaar zijn omdat er tussen deze mechanismen een grote consistentie is (zintuigen bevestigen elkaar), er interindividueel een grote consistentie is (mensen nemen hetzelfde waar) en het wérkt (je kunt er bijvoorbeeld goed eten of de weg mee vinden). Hierdoor kunnen we deze overtuigingen ook goed toetsen, een zeer belangrijk principe. Daarnaast snijdt dit evolutionair gezien goed hout. 

Wetenschappers hebben deze dagelijkse mechanismen verfijnd, gesystematiseerd en uitgebreid met allerlei correctiemechanismen en instrumenten, waardoor zij nóg betrouwbaardere mechanismen hebben ontwikkeld, die ook nog eens toepasbaar zijn in een veel bredere context. Dit alles geldt niet voor religieuze mechanismen: die leveren weinig consistente resultaten op (veel onverenigbare overtuigingen), verschillen sterk van persoon tot persoon en de resultaten zijn ontoetsbaar of blijken bij verdere toetsing onjuist. Ze zijn daarmee onbetrouwbaar in het opleveren van juiste overtuigingen. 

Andere voordelen?
Maar als deze mechanismen weliswaar geen juiste overtuigingen opleveren, kunnen ze dan niet alsnog andere nuttige zaken opleveren, zoals spirituele voldoening of misschien wel gezondheidsvoordelen? Van Eyghen wijst hier ook op. Dat is mogelijk, maar de discussie hierover is complex en verre van beslecht (Boudry, 2015). Voor het al dan niet ondermijnend zijn van CSR maakt dit evenwel weinig uit. Nuttige effecten kunnen immers ook placebo-effecten zijn, een welbekend fenomeen uit de geneeskunde. Daarnaast kan dit argument opgevoerd worden voor elke religie of levensbeschouwing, ook die onverenigbaar zijn met het christelijk geloof (zoals hindoeïsme of boeddhisme). Positieve effecten van bepaalde religieuze overtuigingen wijzen dus geenszins op de juistheid ervan. 

De naturalistische verklaringen die CSR oplevert, werken dus wel degelijk ondermijnend, zeker wanneer ze geplaatst worden in een breder naturalistisch kader. De tegenwerpingen die hiertegen in worden gebracht, dwingen tot nuance, maar zijn uiteindelijk niet in staat om prima facie debunking te voorkomen. 


Referenties
Boudry, M. (2015). Illusies voor gevorderden.Polis.

Carroll, S. B. (2016). The big picture.Dutton 

Fales, E. (2003). Alvin Plantinga's Warranted Christian Belief. Noûs, 37(2), 353-370.

Jong, J., & Visala, A. (2014). Evolutionary debunking arguments against theism, reconsidered. International Journal for Philosophy of Religion76(3), 243-258.

Oppy, G. (2006). Arguing about gods. Cambridge University Press.

Philipse, H. (2012). God in the age of science?: A critique of religious reason. Oxford University Press.

Plantinga, A. (2011). Where the conflict really lies: Science, religion, and naturalism. Oxford University Press. (mijn recensie)

Van den Brink, G. (2017). En de aarde bracht voort: Christelijk geloof en evolutie. Uitgeverij Boekencentrum. (mijn recensie)

Van Eyghen, H. (2018). Is supernatural belief unreliably formed?. International Journal for Philosophy of Religion, 1-24.

Van Leeuwen, N., & van Elk, M. (2018). Seeking the supernatural: The interactive religious experience model. Religion, Brain & Behavior, 1-31.

Wie zijn er online?

We hebben 52 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Woody AllenWoody Allen, Amerikaans regisseur, acteur en schrijver.

Citaat

De atheïst is niet arrogant. Hij denkt alleen beter na.

~ Herman Philipse