Op deze vraag proberen Edwin Bakker (hoogleraar terrorismestudies) en Peter Grol (islamoloog) een antwoord te geven in hun boek Nederlandse Jihadisten (Hollands Diep, 2017). Het is een vraag waarop het antwoord van groot belang is om het islamitisch terrorisme de kop in te drukken, niet alleen in IS-gebied, maar ook in het Westen. Het is ook een vraag waarop vaak gemakkelijk antwoorden gegeven worden, die niet juist, of op z’n best gedeeltelijk juist zijn. Jihadisten zijn lang niet altijd werkeloos of laaggeschoold, gefrustreerde of avontuurlijke pubers, of psychisch zieke figuren. Wat jihadisten wél delen, is een zeer radicale interpretatie van de islam, waarin geweld gelegitimeerd is.

Het boek bevat een voorwoord van Jason Walters, een voormalig lid van de Hofstadgroep. Na een jarenlange gevangenistijd en het volgen van meerdere opleidingen, heeft hij zijn extremistische gedachtegoed afgezworen. Hij geeft een interessante kijk in het leven van een jihadist, waaronder ook wat zijn drijfveren waren. Zo geeft hij aan dat het jihadisme “ingebed is in de wereld van de orthodoxe islam” en “bovenal een diepreligieus fenomeen” is (p. 9).

Het boek zelf begint met een korte geschiedenis van het Nederlandse jihadisme. Jihadisten hangen het jihadi-salafisme aan, een stroming die niet alleen zeer orthodox in de leer is (salafisme), maar daarnaast bereid is geweld te gebruiken om hun gedachtegoed te verwezenlijken (jihadisme). Niet alle salafisten zijn jihadisten, maar delen wel elementen die onverzoenlijk zijn met de democratische rechtsstaat, zoals intolerante denkbeelden over andersgelovigen, vrouwen en een zekere (principiële) afkeer van democratie. Salafisten vormen een groeiend probleem in ons land. Bekende jihadi-salafistische groepen zijn al-Qaida en Islamitische Staat (IS of ISIS). Het aantal aanhangers van deze overtuiging wordt in Nederland door de AIVD geschat op enkele honderden, en mogelijk meer dan duizend personen die ermee sympathiseren. Deze aantallen lijken klein, maar zijn zorgwekkend gezien het leed dat elke jihadist kan aanrichten, eventueel ook in ons eigen land. Een deel van deze groep is naar Syrië en Irak vertrokken. Bakker en Grol beschrijven verder hoe de stroom van Nederlandse jihadisten naar al-Qaida en Islamitisch Staat zich heeft ontwikkeld.

Daarop volgt een uiteenzetting van academische theorieën over hoe en waarom mensen jihadist worden. Door verschillende onderzoekers worden verschillende (sociale en/of persoonlijke) factoren benadrukt. De oorzaak lijkt niet eenduidig en individuele radicaliseringsprocessen kunnen (sterk) verschillend verlopen. Dit maakt het zo ongrijpbaar, onvoorspelbaar en dus lastig te voorkomen. Op drie niveaus spelen factoren een rol: het externe niveau (politieke, economische en culturele omstandigheden), het groepsniveau (groepsidentificatie en groepsdruk) en het individuele niveau (persoonlijke gebeurtenissen en problemen). De interacties tussen de factoren op deze niveaus zijn complex. Verklaringen voor radicalisering worden vaak gezocht op hoofdzakelijk het externe niveau, zoals armoede en discriminatie, maar dat blijkt onhoudbaar, al spelen deze factoren soms een rol (p. 57-58). Sociale en individuele factoren lijken de belangrijkste rol te spelen.

De kern van het boek bestaat uit de levensverhalen van meerdere Nederlandse jihadisten, waaronder ook enkele moslima’s. Wat vooral opvalt in deze verhalen, is hoe sterk ze van elkaar verschillen. Sommigen hebben een migratieachtergrond, anderen zijn autochtone bekeerlingen. Ook hebben de meesten een normale jeugd gehad en zaten ze niet in een uitzichtloze situatie. Hun motieven om op jihad te gaan, zijn ook niet geheel hetzelfde: bij de een gaat het vooral om weloverdachte ideologische redenen, bij de ander spelen groepsfactoren een belangrijkere rol. De jihadisten hebben uitreispogingen gedaan om de jihad elders te voeren, wat soms mislukte. Een deel van de uitreizigers is in de strijd omgekomen.

Misschien nog wel het interessantste deel van het boek is het laatste, waarin de auteurs de Nederlandse jihadisten bespreken in het licht van de wetenschappelijke literatuur en enkele (vermeende) oorzaken van het Nederlandse jihadisme bespreken die veel gehoord worden. Externe factoren spelen een rol, maar lijken vooral te maken te hebben met de rol van de islam in de maatschappij, zoals het verbod op gezichtsbedekkende kleding, vrijheid om de profeet te beledigen en een principiële afkeer van onze samenleving met al haar vrijheden en gelijkheden. Door hun radicale gedachtegoed sluiten ze dus vooral zichzelf uit. Volgens zowel de onderzoekers als de Nederlandse jihadisten zelf speelt sociaaleconomische achterstand geen rol.

Identificatie met de moslimgemeenschap speelt ook een belangrijke rol in het radicaliseringsproces. De westerse aanvallen op IS worden bijvoorbeeld gezien als een aanval op hun gemeenschap. Andere rollen worden gespeeld door charismatische leiders, geheime huiskamerbijeenkomsten en propaganda op social media, waardoor invloedrijke netwerken ontstaan. Tot slot spelen bij sommige jihadisten persoonlijke omstandigheden als liefde, scheidingen, ruzies en ziekte of dood een rol, maar de auteurs geven hierbij ook toe dat jihadisten hierin niet uitzonderlijk zijn. De auteurs concluderen: “Uiteindelijk was het een persoonlijke, rationele keuze om zich bij een jihadistisch netwerk aan te sluiten en al dan niet naar Syrië te vertrekken. Van dwang was doorgaans geen sprake en van hersenspoeling ook niet.” (p. 229). Als al deze factoren of geen (grote) rol spelen of niet uniek zijn voor jihadisten, wat dan wel?

Een oorzakelijk factor die mijns inziens onderbelicht blijft in het boek, is de rol van de islam: waarom is vrijwel al het religieuze geweld tegenwoordig islamitisch? Waarom radicaliseren christen, boeddhisten of hindoes vrijwel niet? Alle mogelijke factoren die in de literatuur genoemd worden, kunnen immers net zo goed een rol spelen bij niet-moslims. Als sociaaleconomische factoren een rol spelen, waarom radicaliseren de miljoenen christenen in Zuid-Amerikaanse sloppenwijken niet? Of de miljoenen hindoes die een uitzichtloos bestaan leiden in India? Als verbolgenheid over het onrecht in het Midden-Oosten een reden kan zijn, waarom plegen de boeddhisten in Tibet niet massaal aanslagen tegen de Chinese overheid, waardoor ze al jarenlang onderdrukt worden? Ook plegen de joden geen aanslagen tegen de Duitsers en de Vietnamezen (hoofdzakelijk ongelovig of boeddhistisch) niet tegen de Amerkanen, ondanks dat de vreselijke geschiedenis hiervoor aanleiding zou kunnen geven. Charismatische leiders en invloedrijke sociale netwerken komen ook bij andere religies voor. Jongeren die worstelen met persoonlijke problemen of onder invloed van groepen staan, is evenmin voorbehouden aan moslims. Op de vraag waarom sommige moslims radicaliseren, maar andere gelovigen vrijwel niet, wordt helaas niet ingegaan door Bakker en Grol.

In een eerder stuk heb ik al uitgebreid betoogd waarom de islam zelf een groot probleem is. Er zit veel intolerantie en aanleiding tot geweld in de bronnen van deze godsdienst: de Koran, de Hadith (overleveringen) en sira (vroege biografieën). De meeste moslims nemen deze teksten gelukkig niet letterlijk of lezen ze historiserend (dat gold toen, nu niet meer), maar jihadisten doen dat niet. Ze gaan voor de meest eenvoudige en directe uitleg. Als je er werkelijk van overtuigd bent dat de Koran het letterlijke en opvolgenswaardige Woord van God is en de profeet Mohammed een nastrevenswaardig persoon, dan is het niet vreemd dat je intolerant wordt naar ongelovigen en zelfs bereid bent geweld te gebruiken. Veel ongelovige of liberaal gelovige, seculiere westerlingen hebben vaak grote moeite deze diepreligieuze drijfveer te begrijpen, waardoor ze de oorzaken van radicalisme ergens anders gaan zoeken.

Bakker en Grol benoemen dit probleem met de islam zelf kort, maar serveren het af als een “zeer krachtige mythe” (p. 235). Als argument voeren ze hiervoor op dat religie “lang niet het enige [is] wat jihadisten drijft” (p. 236). Dat is ongetwijfeld waar, maar volgens mij zijn er maar weinig mensen die denken dat andere factoren geen enkele rol spelen. Waarom de islam als oorzaak door dit triviale inzicht een mythe zou worden, ontgaat mij. Daarnaast hebben de andere factoren vaak ook indirect met de islam te maken. Zo kan (vermeende) discriminatie en uitsluiting het gevolg zijn van extreme overtuigingen en gedragingen. Groepsinvloeden worden versterkt door een sterke identificatie met de moslimgemeenschap en charismatische geestelijken.

Ook wordt vaak tegengeworpen dat jihadisten oorlogsmisdaden plegen en vooral slachtoffers maken onder andere moslims, zo ook door de auteurs (p. 238). Dit is vanuit ons morele kader inderdaad zo, maar vanuit het radicaal islamitische kader van de jihadisten niet. In hun ogen zijn liberale moslims geen echte moslims, maar ongelovigen (kuffar), en die mogen van Allah gedood worden.

Het is belangrijk te benadrukken dat, ondanks deze problematische bronnen, veel moslims in het Westen deze bronnen op een manier interpreteren die niet problematisch is. Dit wordt ook benadrukt door Bakker en Grol (p. 237). Het is evenwel ook van belang te benadrukken dat er tussen deze liberale moslims en jihadisten een groot grijs gebied zit met ideeën die op z’n minst problematisch zijn. Veel moslims die zich afkeren van jihadisten, zijn tegen gelijke rechten voor homo’s en vrouwen, zijn voor de invoering van de sharia (islamitisch recht) en vinden dat geloofsafval strafbaar zou moeten zijn, zoals ik al eerder heb laten zien. Saoedi-Arabië heeft afstand genomen van de terreur van IS, maar hangt wel afvalligen op. Het probleem met de (meer of minder) radicale islam is dus groter dan het probleem met de jihadisten.

Wat is de oplossing voor het jihadistenprobleem? “Een echte kern- of grondoorzaak van het jihadisme is niet te vinden”, schrijven Bakker en Grol, “en daardoor ontbreekt ook de sleutel naar de oplossing” (p. 234). De hierboven besproken veelgehoorde oorzaken blijken niet of slechts beperkt een rol te spelen, maar wat het dan wel is, blijft onduidelijk, ook na het lezen van dit boek. De schrijvers vragen om een “genuanceerd en door kennis ondersteund debat” en hekelen het huidige debat dat “sterk gepolitiseerd en gepolariseerd is” (p. 239). Rechts komt met het afpakken van paspoorten of het verbieden van het salafisme, links met sociaaleconomische ‘oplossingen’. Bakker en Grol lijken beide kanten af te wijzen, maar komen zelf ook met weinig concrete oplossingen. Ze roepen vooral op tot acceptatie van de complexiteit en ruimte voor verschillende probleemanalyses en de daaruit voortkomende oplossingen (p. 243). De jihadistische beweging moet goed in kaart worden gebracht om vervolgens met een persoonsgerichte aanpak de risico’s te beperken, eventueel met juridische maatregelen. Goed inlichtingenwerk is uiteraard ook belangrijk. Ondanks deze maatregelen is het naïef te denken dat we het risico tot bijna nul kunnen reduceren, aldus de auteur. Wel relativeren zij het probleem in Nederland: we hebben slechts één aanslag gehad (Theo van Gogh) en het gaat om een zeer klein percentage van de bevolking. Ik betwijfel of de burger hierdoor gerustgesteld wordt.

Uiteraard onderschrijf ik het belang van bovenstaande punten in de aanpak van het jihadisme. Meer aandacht zou wat mij betreft moeten gaan naar de rol van de islam. Waarom zijn het vrijwel uitsluitend moslims die radicaliseren? Hoe moeten we omgaan met de vele problematische passages in de islamitisch bronnen? Waarom huldigen zo veel moslims, inclusief vooraanstaande geestelijken, opvattingen die strijdig zijn met mensenrechten en de democratische rechtsstaat? Waarom worden meerdere moskeeën in de gaten gehouden wegens radicale predikers, maar geen enkele kerk? Op het stellen van deze vragen heerst nog steeds in veel kringen een taboe, uit politieke correctheid of uit angst om voor ‘islamofoob’ uitgemaakt te worden. Toch moeten deze vragen openlijk gesteld en bediscussieerd kunnen worden. Dit moet vanuit de moslimgemeenschap gebeuren, maar ook door buitenstaanders, want het gaat ons allemaal aan. Daarnaast moeten we waaks zijn op radicale ideeën, zoals het salafisme, en de verkondiging daarvan, en waar nodig juridisch ingrijpen. Het kan niet zo zijn dat onze tolerantie, in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting, gebruikt wordt voor intolerante ideeën die de democratische rechtsstaat ondermijnen. Dit is een complexe weg die ongetwijfeld de gemoederen lang en hevig zal bezighouden, maar het is de enige manier om de vrije samenleving te beschermen. 

 

Wie zijn er online?

We hebben 100 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Lance ArmstrongLance Armstrong, Amerikaans zevenvoudig winnaar van de Tour de France.

Citaat

De evolutietheorie is een empirische theorie met een overstelpende hoeveelheid materiaal die de theorie ondersteunt. Derhalve is het geen geloof. Voor het geloof daarentegen is er niet één empirisch argument aan te voeren. Niet één.

~ Herman Philipse

Op deze vraag proberen Edwin Bakker (hoogleraar terrorismestudies) en Peter Grol (islamoloog) een antwoord te geven in hun boek Nederlandse Jihadisten (Hollands Diep, 2017). Het is een vraag waarop het antwoord van groot belang is om het islamitisch terrorisme de kop in te drukken, niet alleen in IS-gebied, maar ook in het Westen. Het is ook een vraag waarop vaak gemakkelijk antwoorden gegeven worden, die niet juist, of op z’n best gedeeltelijk juist zijn. Jihadisten zijn lang niet altijd werkeloos of laaggeschoold, gefrustreerde of avontuurlijke pubers, of psychisch zieke figuren. Wat jihadisten wél delen, is een zeer radicale interpretatie van de islam, waarin geweld gelegitimeerd is.

Het boek bevat een voorwoord van Jason Walters, een voormalig lid van de Hofstadgroep. Na een jarenlange gevangenistijd en het volgen van meerdere opleidingen, heeft hij zijn extremistische gedachtegoed afgezworen. Hij geeft een interessante kijk in het leven van een jihadist, waaronder ook wat zijn drijfveren waren. Zo geeft hij aan dat het jihadisme “ingebed is in de wereld van de orthodoxe islam” en “bovenal een diepreligieus fenomeen” is (p. 9).

Het boek zelf begint met een korte geschiedenis van het Nederlandse jihadisme. Jihadisten hangen het jihadi-salafisme aan, een stroming die niet alleen zeer orthodox in de leer is (salafisme), maar daarnaast bereid is geweld te gebruiken om hun gedachtegoed te verwezenlijken (jihadisme). Niet alle salafisten zijn jihadisten, maar delen wel elementen die onverzoenlijk zijn met de democratische rechtsstaat, zoals intolerante denkbeelden over andersgelovigen, vrouwen en een zekere (principiële) afkeer van democratie. Salafisten vormen een groeiend probleem in ons land. Bekende jihadi-salafistische groepen zijn al-Qaida en Islamitische Staat (IS of ISIS). Het aantal aanhangers van deze overtuiging wordt in Nederland door de AIVD geschat op enkele honderden, en mogelijk meer dan duizend personen die ermee sympathiseren. Deze aantallen lijken klein, maar zijn zorgwekkend gezien het leed dat elke jihadist kan aanrichten, eventueel ook in ons eigen land. Een deel van deze groep is naar Syrië en Irak vertrokken. Bakker en Grol beschrijven verder hoe de stroom van Nederlandse jihadisten naar al-Qaida en Islamitisch Staat zich heeft ontwikkeld.

Daarop volgt een uiteenzetting van academische theorieën over hoe en waarom mensen jihadist worden. Door verschillende onderzoekers worden verschillende (sociale en/of persoonlijke) factoren benadrukt. De oorzaak lijkt niet eenduidig en individuele radicaliseringsprocessen kunnen (sterk) verschillend verlopen. Dit maakt het zo ongrijpbaar, onvoorspelbaar en dus lastig te voorkomen. Op drie niveaus spelen factoren een rol: het externe niveau (politieke, economische en culturele omstandigheden), het groepsniveau (groepsidentificatie en groepsdruk) en het individuele niveau (persoonlijke gebeurtenissen en problemen). De interacties tussen de factoren op deze niveaus zijn complex. Verklaringen voor radicalisering worden vaak gezocht op hoofdzakelijk het externe niveau, zoals armoede en discriminatie, maar dat blijkt onhoudbaar, al spelen deze factoren soms een rol (p. 57-58). Sociale en individuele factoren lijken de belangrijkste rol te spelen.

De kern van het boek bestaat uit de levensverhalen van meerdere Nederlandse jihadisten, waaronder ook enkele moslima’s. Wat vooral opvalt in deze verhalen, is hoe sterk ze van elkaar verschillen. Sommigen hebben een migratieachtergrond, anderen zijn autochtone bekeerlingen. Ook hebben de meesten een normale jeugd gehad en zaten ze niet in een uitzichtloze situatie. Hun motieven om op jihad te gaan, zijn ook niet geheel hetzelfde: bij de een gaat het vooral om weloverdachte ideologische redenen, bij de ander spelen groepsfactoren een belangrijkere rol. De jihadisten hebben uitreispogingen gedaan om de jihad elders te voeren, wat soms mislukte. Een deel van de uitreizigers is in de strijd omgekomen.

Misschien nog wel het interessantste deel van het boek is het laatste, waarin de auteurs de Nederlandse jihadisten bespreken in het licht van de wetenschappelijke literatuur en enkele (vermeende) oorzaken van het Nederlandse jihadisme bespreken die veel gehoord worden. Externe factoren spelen een rol, maar lijken vooral te maken te hebben met de rol van de islam in de maatschappij, zoals het verbod op gezichtsbedekkende kleding, vrijheid om de profeet te beledigen en een principiële afkeer van onze samenleving met al haar vrijheden en gelijkheden. Door hun radicale gedachtegoed sluiten ze dus vooral zichzelf uit. Volgens zowel de onderzoekers als de Nederlandse jihadisten zelf speelt sociaaleconomische achterstand geen rol.

Identificatie met de moslimgemeenschap speelt ook een belangrijke rol in het radicaliseringsproces. De westerse aanvallen op IS worden bijvoorbeeld gezien als een aanval op hun gemeenschap. Andere rollen worden gespeeld door charismatische leiders, geheime huiskamerbijeenkomsten en propaganda op social media, waardoor invloedrijke netwerken ontstaan. Tot slot spelen bij sommige jihadisten persoonlijke omstandigheden als liefde, scheidingen, ruzies en ziekte of dood een rol, maar de auteurs geven hierbij ook toe dat jihadisten hierin niet uitzonderlijk zijn. De auteurs concluderen: “Uiteindelijk was het een persoonlijke, rationele keuze om zich bij een jihadistisch netwerk aan te sluiten en al dan niet naar Syrië te vertrekken. Van dwang was doorgaans geen sprake en van hersenspoeling ook niet.” (p. 229). Als al deze factoren of geen (grote) rol spelen of niet uniek zijn voor jihadisten, wat dan wel?

Een oorzakelijk factor die mijns inziens onderbelicht blijft in het boek, is de rol van de islam: waarom is vrijwel al het religieuze geweld tegenwoordig islamitisch? Waarom radicaliseren christen, boeddhisten of hindoes vrijwel niet? Alle mogelijke factoren die in de literatuur genoemd worden, kunnen immers net zo goed een rol spelen bij niet-moslims. Als sociaaleconomische factoren een rol spelen, waarom radicaliseren de miljoenen christenen in Zuid-Amerikaanse sloppenwijken niet? Of de miljoenen hindoes die een uitzichtloos bestaan leiden in India? Als verbolgenheid over het onrecht in het Midden-Oosten een reden kan zijn, waarom plegen de boeddhisten in Tibet niet massaal aanslagen tegen de Chinese overheid, waardoor ze al jarenlang onderdrukt worden? Ook plegen de joden geen aanslagen tegen de Duitsers en de Vietnamezen (hoofdzakelijk ongelovig of boeddhistisch) niet tegen de Amerkanen, ondanks dat de vreselijke geschiedenis hiervoor aanleiding zou kunnen geven. Charismatische leiders en invloedrijke sociale netwerken komen ook bij andere religies voor. Jongeren die worstelen met persoonlijke problemen of onder invloed van groepen staan, is evenmin voorbehouden aan moslims. Op de vraag waarom sommige moslims radicaliseren, maar andere gelovigen vrijwel niet, wordt helaas niet ingegaan door Bakker en Grol.

In een eerder stuk heb ik al uitgebreid betoogd waarom de islam zelf een groot probleem is. Er zit veel intolerantie en aanleiding tot geweld in de bronnen van deze godsdienst: de Koran, de Hadith (overleveringen) en sira (vroege biografieën). De meeste moslims nemen deze teksten gelukkig niet letterlijk of lezen ze historiserend (dat gold toen, nu niet meer), maar jihadisten doen dat niet. Ze gaan voor de meest eenvoudige en directe uitleg. Als je er werkelijk van overtuigd bent dat de Koran het letterlijke en opvolgenswaardige Woord van God is en de profeet Mohammed een nastrevenswaardig persoon, dan is het niet vreemd dat je intolerant wordt naar ongelovigen en zelfs bereid bent geweld te gebruiken. Veel ongelovige of liberaal gelovige, seculiere westerlingen hebben vaak grote moeite deze diepreligieuze drijfveer te begrijpen, waardoor ze de oorzaken van radicalisme ergens anders gaan zoeken.

Bakker en Grol benoemen dit probleem met de islam zelf kort, maar serveren het af als een “zeer krachtige mythe” (p. 235). Als argument voeren ze hiervoor op dat religie “lang niet het enige [is] wat jihadisten drijft” (p. 236). Dat is ongetwijfeld waar, maar volgens mij zijn er maar weinig mensen die denken dat andere factoren geen enkele rol spelen. Waarom de islam als oorzaak door dit triviale inzicht een mythe zou worden, ontgaat mij. Daarnaast hebben de andere factoren vaak ook indirect met de islam te maken. Zo kan (vermeende) discriminatie en uitsluiting het gevolg zijn van extreme overtuigingen en gedragingen. Groepsinvloeden worden versterkt door een sterke identificatie met de moslimgemeenschap en charismatische geestelijken.

Ook wordt vaak tegengeworpen dat jihadisten oorlogsmisdaden plegen en vooral slachtoffers maken onder andere moslims, zo ook door de auteurs (p. 238). Dit is vanuit ons morele kader inderdaad zo, maar vanuit het radicaal islamitische kader van de jihadisten niet. In hun ogen zijn liberale moslims geen echte moslims, maar ongelovigen (kuffar), en die mogen van Allah gedood worden.

Het is belangrijk te benadrukken dat, ondanks deze problematische bronnen, veel moslims in het Westen deze bronnen op een manier interpreteren die niet problematisch is. Dit wordt ook benadrukt door Bakker en Grol (p. 237). Het is evenwel ook van belang te benadrukken dat er tussen deze liberale moslims en jihadisten een groot grijs gebied zit met ideeën die op z’n minst problematisch zijn. Veel moslims die zich afkeren van jihadisten, zijn tegen gelijke rechten voor homo’s en vrouwen, zijn voor de invoering van de sharia (islamitisch recht) en vinden dat geloofsafval strafbaar zou moeten zijn, zoals ik al eerder heb laten zien. Saoedi-Arabië heeft afstand genomen van de terreur van IS, maar hangt wel afvalligen op. Het probleem met de (meer of minder) radicale islam is dus groter dan het probleem met de jihadisten.

Wat is de oplossing voor het jihadistenprobleem? “Een echte kern- of grondoorzaak van het jihadisme is niet te vinden”, schrijven Bakker en Grol, “en daardoor ontbreekt ook de sleutel naar de oplossing” (p. 234). De hierboven besproken veelgehoorde oorzaken blijken niet of slechts beperkt een rol te spelen, maar wat het dan wel is, blijft onduidelijk, ook na het lezen van dit boek. De schrijvers vragen om een “genuanceerd en door kennis ondersteund debat” en hekelen het huidige debat dat “sterk gepolitiseerd en gepolariseerd is” (p. 239). Rechts komt met het afpakken van paspoorten of het verbieden van het salafisme, links met sociaaleconomische ‘oplossingen’. Bakker en Grol lijken beide kanten af te wijzen, maar komen zelf ook met weinig concrete oplossingen. Ze roepen vooral op tot acceptatie van de complexiteit en ruimte voor verschillende probleemanalyses en de daaruit voortkomende oplossingen (p. 243). De jihadistische beweging moet goed in kaart worden gebracht om vervolgens met een persoonsgerichte aanpak de risico’s te beperken, eventueel met juridische maatregelen. Goed inlichtingenwerk is uiteraard ook belangrijk. Ondanks deze maatregelen is het naïef te denken dat we het risico tot bijna nul kunnen reduceren, aldus de auteur. Wel relativeren zij het probleem in Nederland: we hebben slechts één aanslag gehad (Theo van Gogh) en het gaat om een zeer klein percentage van de bevolking. Ik betwijfel of de burger hierdoor gerustgesteld wordt.

Uiteraard onderschrijf ik het belang van bovenstaande punten in de aanpak van het jihadisme. Meer aandacht zou wat mij betreft moeten gaan naar de rol van de islam. Waarom zijn het vrijwel uitsluitend moslims die radicaliseren? Hoe moeten we omgaan met de vele problematische passages in de islamitisch bronnen? Waarom huldigen zo veel moslims, inclusief vooraanstaande geestelijken, opvattingen die strijdig zijn met mensenrechten en de democratische rechtsstaat? Waarom worden meerdere moskeeën in de gaten gehouden wegens radicale predikers, maar geen enkele kerk? Op het stellen van deze vragen heerst nog steeds in veel kringen een taboe, uit politieke correctheid of uit angst om voor ‘islamofoob’ uitgemaakt te worden. Toch moeten deze vragen openlijk gesteld en bediscussieerd kunnen worden. Dit moet vanuit de moslimgemeenschap gebeuren, maar ook door buitenstaanders, want het gaat ons allemaal aan. Daarnaast moeten we waaks zijn op radicale ideeën, zoals het salafisme, en de verkondiging daarvan, en waar nodig juridisch ingrijpen. Het kan niet zo zijn dat onze tolerantie, in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting, gebruikt wordt voor intolerante ideeën die de democratische rechtsstaat ondermijnen. Dit is een complexe weg die ongetwijfeld de gemoederen lang en hevig zal bezighouden, maar het is de enige manier om de vrije samenleving te beschermen. 

Wie zijn er online?

We hebben 100 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Lance ArmstrongLance Armstrong, Amerikaans zevenvoudig winnaar van de Tour de France.

Citaat

De evolutietheorie is een empirische theorie met een overstelpende hoeveelheid materiaal die de theorie ondersteunt. Derhalve is het geen geloof. Voor het geloof daarentegen is er niet één empirisch argument aan te voeren. Niet één.

~ Herman Philipse