Ooit was het simpel: God schiep de mens afzonderlijk van de dieren, naar Zijn beeld en gelijkenis. Ook werden alle dieren volgens Genesis geschapen “naar hun aard”, waardoor creationisten evolutionaire overgangen tussen diergroepen (overgangsvormen) niet kunnen accepteren (zij spreken van duidelijk te onderscheiden ‘baramins’). Ook voor veel moderne mensen – gelovig of niet – is de mens onmiskenbaar van een andere orde dan de dieren. Volgens antropologen denken mensen wereldwijd zo. De chimpansees, evolutionair gezien onze naaste verwanten, lijken in een aantal opzichten op ons, maar zijn toch evident geen mensen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er een duidelijke grens lijkt te bestaan tussen de wijze mens (Homo sapiens) en het dierenrijk. Volgens paus Johannes Paulus II is er sprake van een “ontological difference”.

We denken dus graag in hokjes. Er zijn grote en kleine paarden, en ook in allerlei kleuren, maar het zijn allemaal paarden, alsof ze een gedeelde paard-essentie bezitten. Hetzelfde geldt voor honden, katten, bomen, groente en fruit. Ook de mens heeft zo’n essentie, en die is wezenlijk anders dan die van dieren. Dit idee van essentialisme is al oud (te vinden bij o.a. Plato en Aristoteles) en is psychologisch (intuïtief) plausibel. Kinderen denken ook al jong zo, hebben psychologen ontdekt. De filosofen Helen de Cruz en Johan de Smet hebben overtuigend betoogd waarom dit essentialisme in het geval van menselijk evolutie onhoudbaar is, ook al is het intuïtief aannemelijk. Zelfs veel biologen blijken niet te ontkomen aan essentialistisch denken.

Dat het denken in essenties en harde grenzen wetenschappelijk onhoudbaar is, weten we sinds Darwin. Diersoorten veranderen langzaam van de ene soort in de andere. De mens is daarop geen uitzondering: ook Homo sapiens is geleidelijk ontstaan uit mensachtige dieren. Evolutie is een continu proces, waarbij geen enkele nakomeling fundamenteel verschilde van zijn voorouder. Pas na vele generaties tellen de kleine veranderingen genoeg op om duidelijke verschillen te creëren. Als dit een heel lange tijd zo doorgaat en er uiteindelijk verschillende groepen ontstaan die zich niet meer met elkaar succesvol kunnen voortplanten, ontstaat een nieuwe soort (althans, volgens het gangbare biological species concept). Bij fossielen is dit concept echter problematisch, want we weten niet of twee fossielen met elkaar vruchtbare nakomelingen konden krijgen.

In de biologie is deze discussie recentelijk weer opgelaaid door nieuwe vondsten uit Marokko van late mensachtigen of mensen  dat staat ter discussie. Al een tijd werd op grond van zowel fossielen als genetica (mitochondriaal DNA) gedacht dat Homo sapiens ongeveer 200.000 jaar oud moest zijn. De nieuwe fossielen lijken erg op moderne mensen, maar zijn ruim 300.000 jaar oud. Zijn het dan mensen of niet? Hoe kunnen we dat bepalen? Volgens mij is deze vraag onzinnig omdat het uitgaat van het essentialisme dat juist door Darwin in de biologie achterhaald is. Er is geen harde biologische grens tussen Homo sapiens en zijn voorloper Homo heidelbergensis, of nog verder terug Homo ergaster/erectus. Als al onze voorouder gefossiliseerd zouden zijn, zouden we helemaal nergens een grens kunnen trekken. Het is niet zo dat een heidelbergensis-moeder een sapiens-kind baarde (dit is volgens het biological species concept ook per definitie niet mogelijk).

Omdat fossilisatie zeldzaam is, zijn slechts kleine delen van de hele menselijke afstammingslijn zichtbaar. Hierdoor lijkt een continu proces discreet, en daarmee geschikt voor het opdelen in hokjes (soorten). Vooral toen er nog weinig fossielen gevonden waren, ging dit goed, maar hoe meer fossielen er gevonden worden, hoe lastiger dit wordt. Dit geldt niet alleen voor de evolutie van de mens, maar ook voor het ontstaan van vogels uit theropode dinosaurussen.

Betekent dit dat we helemaal niet kunnen spreken van soorten? Nee, want het is wel degelijk zo dat bepaalde groepen dieren (of hun fossiele resten) bepaalde overeenkomsten vertonen. Op grond daarvan kunnen ze ook gegroepeerd worden in soorten (en daarboven: geslachten, families, ordes enz.). De evolutionaire (fylogenetische) grenzen van deze groepen zijn echter fuzzy: de groepen lopen in elkaar over, net als de dag in de nacht. Het exacte punt waar de grens getrokken wordt, is dan ook willekeurig. Dit geldt ook voor de eerste leden van ons geslacht Homo. De grens wordt hier getrokken bij een schedelinhoud van 750 cc (de zogenaamde ‘cerebrale rubicon’), maar waarom niet bij 749 of 751 cc? Geeft een moeder met een schedelinhoud van 749 cc die een kind baart met een schedelinhoud van 750 cc letterlijk geboorte aan een ander geslacht? De grens moet om praktische redenen érgens getrokken worden, maar het getal 750 is arbitrair.

Vergelijkbare gevallen vinden we overal in de biologie. Een mens begint als een bevruchte eicel en groeit langzaam uit tot een kind dat geboren wordt. Wanneer wordt zo’n bevruchte eicel een mens? Is hier een duidelijke grens? Alleen orthodoxe gelovigen beschouwen een bevruchte eicel als een mens omdat de eicel met de conceptie bezield zou worden. Zelfs dit is problematisch, want ook de bevruchting is een geleidelijk proces. Aan de andere kant beschouwt vrijwel iedereen een pasgeborene als een mens. Nu rijst echter de vraag: vanaf welk punt daartussen spreken we van een mens? De hele embryonale ontwikkeling verloopt geleidelijk, zonder harde grenzen. Toch zijn de veranderingen reëel en kunnen we van verschillende stadia spreken, zij het met vage grenzen. Zo’n indeling is handig voor medici en noodzakelijk voor de rechtspraak (wanneer wordt abortus illegaal?). 

Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling daarna. Een pasgeborene ontwikkelt zich van baby tot uiteindelijk een volwassene. Hieraan liggen reële biologische veranderingen ten grondslag, maar wederom zonder harde grenzen. Volgens de Nederlandse wet is iemand vanaf zijn achttiende volwassen, maar wordt er ook een biologische grens overschreden op de dag dat iemand achttien wordt?  Wat was er in zijn of haar lijf of psyche wezenlijk anders de dag voor de verjaardag? Ook hier zijn er geen harde biologische grenzen te trekken. We hebben die grenzen dan ook vooral om pragmatische redenen, niet omdat ze getuigen van een duidelijke biologische realiteit. 

In biologische processen die continu zijn, zijn dus geen harde grenzen te trekken. Elke grens die getrokken wordt, is willekeurig. Dit geldt zowel voor de ontwikkeling van bevruchte eicel tot volwassene (ontogenese) als evolutionaire afstammingslijnen (fylogenese). In beide gevallen zijn er reële veranderingen, maar de overgangen tussen stadia en soorten zijn geleidelijk, zonder een duidelijke grens. Alleen een fragmentarisch beeld van deze continue processen geeft de illusie dat er discrete hokjes zijn met bepaalde essenties. Hoe duidelijker ons beeld, bijvoorbeeld doordat er meer fossielen gevonden worden, hoe meer de grenzen tussen de hokjes vervagen. We moeten een biologische soort dan ook veeleer zien als een familiegelijkenisconcept, zoals ook de bioloog en filosoof Massimo Pigliucci betoogt. Dit begrip komt uit de filosofie van Ludwig Wittgenstein en deelt leden van een groep niet in op grond van één gedeelde essentie, maar op grond van door de groep gedeelde kenmerken. Doordat de kenmerken in meer of mindere mate gedeeld zijn, zullen de grenzen vaag blijven. Desalniettemin is dit een pragmatische benadering die vaak goed werkt, ook al zijn de grenzen vaag.

Zijn de recente fossiele vondsten uit Marokko nu van een mens of niet? Deze vraag getuigt van essentialistisch denken, een manier van denken die juist Darwin onhoudbaar heeft gemaakt in de biologie. Toch lijken ook veel biologen nog aan dit achterhaalde denkpatroon vast te willen houden, waarschijnlijk omdat het intuïtief zo aannemelijk is. Wanneer we van de eerste mens spreken, is puur een definitiekwestie: waar trek je de grens in de afstammingslijn? Elke grens is willekeurig. Dit inzicht hebben we aan Darwin te danken!

 

Wie zijn er online?

We hebben 53 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Richard FeynmanRichard Feynman, Amerikaanse natuurkundige en Nobelprijswinnaar.

Citaat

Theists think all gods but theirs are false. Atheists simply don't make an exception for the last one.

~ Onbekend

Ooit was het simpel: God schiep de mens afzonderlijk van de dieren, naar Zijn beeld en gelijkenis. Ook werden alle dieren volgens Genesis geschapen “naar hun aard”, waardoor creationisten evolutionaire overgangen tussen diergroepen (overgangsvormen) niet kunnen accepteren (zij spreken van duidelijk te onderscheiden ‘baramins’). Ook voor veel moderne mensen – gelovig of niet – is de mens onmiskenbaar van een andere orde dan de dieren. Volgens antropologen denken mensen wereldwijd zo. De chimpansees, evolutionair gezien onze naaste verwanten, lijken in een aantal opzichten op ons, maar zijn toch evident geen mensen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er een duidelijke grens lijkt te bestaan tussen de wijze mens (Homo sapiens) en het dierenrijk. Volgens paus Johannes Paulus II is er sprake van een “ontological difference”.

We denken dus graag in hokjes. Er zijn grote en kleine paarden, en ook in allerlei kleuren, maar het zijn allemaal paarden, alsof ze een gedeelde paard-essentie bezitten. Hetzelfde geldt voor honden, katten, bomen, groente en fruit. Ook de mens heeft zo’n essentie, en die is wezenlijk anders dan die van dieren. Dit idee van essentialisme is al oud (te vinden bij o.a. Plato en Aristoteles) en is psychologisch (intuïtief) plausibel. Kinderen denken ook al jong zo, hebben psychologen ontdekt. De filosofen Helen de Cruz en Johan de Smet hebben overtuigend betoogd waarom dit essentialisme in het geval van menselijk evolutie onhoudbaar is, ook al is het intuïtief aannemelijk. Zelfs veel biologen blijken niet te ontkomen aan essentialistisch denken.

Dat het denken in essenties en harde grenzen wetenschappelijk onhoudbaar is, weten we sinds Darwin. Diersoorten veranderen langzaam van de ene soort in de andere. De mens is daarop geen uitzondering: ook Homo sapiens is geleidelijk ontstaan uit mensachtige dieren. Evolutie is een continu proces, waarbij geen enkele nakomeling fundamenteel verschilde van zijn voorouder. Pas na vele generaties tellen de kleine veranderingen genoeg op om duidelijke verschillen te creëren. Als dit een heel lange tijd zo doorgaat en er uiteindelijk verschillende groepen ontstaan die zich niet meer met elkaar succesvol kunnen voortplanten, ontstaat een nieuwe soort (althans, volgens het gangbare biological species concept). Bij fossielen is dit concept echter problematisch, want we weten niet of twee fossielen met elkaar vruchtbare nakomelingen konden krijgen.

In de biologie is deze discussie recentelijk weer opgelaaid door nieuwe vondsten uit Marokko van late mensachtigen of mensen  dat staat ter discussie. Al een tijd werd op grond van zowel fossielen als genetica (mitochondriaal DNA) gedacht dat Homo sapiens ongeveer 200.000 jaar oud moest zijn. De nieuwe fossielen lijken erg op moderne mensen, maar zijn ruim 300.000 jaar oud. Zijn het dan mensen of niet? Hoe kunnen we dat bepalen? Volgens mij is deze vraag onzinnig omdat het uitgaat van het essentialisme dat juist door Darwin in de biologie achterhaald is. Er is geen harde biologische grens tussen Homo sapiens en zijn voorloper Homo heidelbergensis, of nog verder terug Homo ergaster/erectus. Als al onze voorouder gefossiliseerd zouden zijn, zouden we helemaal nergens een grens kunnen trekken. Het is niet zo dat een heidelbergensis-moeder een sapiens-kind baarde (dit is volgens het biological species concept ook per definitie niet mogelijk).

Omdat fossilisatie zeldzaam is, zijn slechts kleine delen van de hele menselijke afstammingslijn zichtbaar. Hierdoor lijkt een continu proces discreet, en daarmee geschikt voor het opdelen in hokjes (soorten). Vooral toen er nog weinig fossielen gevonden waren, ging dit goed, maar hoe meer fossielen er gevonden worden, hoe lastiger dit wordt. Dit geldt niet alleen voor de evolutie van de mens, maar ook voor het ontstaan van vogels uit theropode dinosaurussen.

Betekent dit dat we helemaal niet kunnen spreken van soorten? Nee, want het is wel degelijk zo dat bepaalde groepen dieren (of hun fossiele resten) bepaalde overeenkomsten vertonen. Op grond daarvan kunnen ze ook gegroepeerd worden in soorten (en daarboven: geslachten, families, ordes enz.). De evolutionaire (fylogenetische) grenzen van deze groepen zijn echter fuzzy: de groepen lopen in elkaar over, net als de dag in de nacht. Het exacte punt waar de grens getrokken wordt, is dan ook willekeurig. Dit geldt ook voor de eerste leden van ons geslacht Homo. De grens wordt hier getrokken bij een schedelinhoud van 750 cc (de zogenaamde ‘cerebrale rubicon’), maar waarom niet bij 749 of 751 cc? Geeft een moeder met een schedelinhoud van 749 cc die een kind baart met een schedelinhoud van 750 cc letterlijk geboorte aan een ander geslacht? De grens moet om praktische redenen érgens getrokken worden, maar het getal 750 is arbitrair.

Vergelijkbare gevallen vinden we overal in de biologie. Een mens begint als een bevruchte eicel en groeit langzaam uit tot een kind dat geboren wordt. Wanneer wordt zo’n bevruchte eicel een mens? Is hier een duidelijke grens? Alleen orthodoxe gelovigen beschouwen een bevruchte eicel als een mens omdat de eicel met de conceptie bezield zou worden. Zelfs dit is problematisch, want ook de bevruchting is een geleidelijk proces. Aan de andere kant beschouwt vrijwel iedereen een pasgeborene als een mens. Nu rijst echter de vraag: vanaf welk punt daartussen spreken we van een mens? De hele embryonale ontwikkeling verloopt geleidelijk, zonder harde grenzen. Toch zijn de veranderingen reëel en kunnen we van verschillende stadia spreken, zij het met vage grenzen. Zo’n indeling is handig voor medici en noodzakelijk voor de rechtspraak (wanneer wordt abortus illegaal?). 

Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling daarna. Een pasgeborene ontwikkelt zich van baby tot uiteindelijk een volwassene. Hieraan liggen reële biologische veranderingen ten grondslag, maar wederom zonder harde grenzen. Volgens de Nederlandse wet is iemand vanaf zijn achttiende volwassen, maar wordt er ook een biologische grens overschreden op de dag dat iemand achttien wordt?  Wat was er in zijn of haar lijf of psyche wezenlijk anders de dag voor de verjaardag? Ook hier zijn er geen harde biologische grenzen te trekken. We hebben die grenzen dan ook vooral om pragmatische redenen, niet omdat ze getuigen van een duidelijke biologische realiteit. 

In biologische processen die continu zijn, zijn dus geen harde grenzen te trekken. Elke grens die getrokken wordt, is willekeurig. Dit geldt zowel voor de ontwikkeling van bevruchte eicel tot volwassene (ontogenese) als evolutionaire afstammingslijnen (fylogenese). In beide gevallen zijn er reële veranderingen, maar de overgangen tussen stadia en soorten zijn geleidelijk, zonder een duidelijke grens. Alleen een fragmentarisch beeld van deze continue processen geeft de illusie dat er discrete hokjes zijn met bepaalde essenties. Hoe duidelijker ons beeld, bijvoorbeeld doordat er meer fossielen gevonden worden, hoe meer de grenzen tussen de hokjes vervagen. We moeten een biologische soort dan ook veeleer zien als een familiegelijkenisconcept, zoals ook de bioloog en filosoof Massimo Pigliucci betoogt. Dit begrip komt uit de filosofie van Ludwig Wittgenstein en deelt leden van een groep niet in op grond van één gedeelde essentie, maar op grond van door de groep gedeelde kenmerken. Doordat de kenmerken in meer of mindere mate gedeeld zijn, zullen de grenzen vaag blijven. Desalniettemin is dit een pragmatische benadering die vaak goed werkt, ook al zijn de grenzen vaag.

Zijn de recente fossiele vondsten uit Marokko nu van een mens of niet? Deze vraag getuigt van essentialistisch denken, een manier van denken die juist Darwin onhoudbaar heeft gemaakt in de biologie. Toch lijken ook veel biologen nog aan dit achterhaalde denkpatroon vast te willen houden, waarschijnlijk omdat het intuïtief zo aannemelijk is. Wanneer we van de eerste mens spreken, is puur een definitiekwestie: waar trek je de grens in de afstammingslijn? Elke grens is willekeurig. Dit inzicht hebben we aan Darwin te danken!

Wie zijn er online?

We hebben 53 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Richard FeynmanRichard Feynman, Amerikaanse natuurkundige en Nobelprijswinnaar.

Citaat

Theists think all gods but theirs are false. Atheists simply don't make an exception for the last one.

~ Onbekend