Het ontologische argument

Ontologische argumenten zijn a priori argumenten, dat wil zeggen dat ze gebaseerd zijn op redeneren alleen en niet op empirie (zoals het teleologische argument, zie hierboven).

De eerste die het ontologische argument formuleerde was St. Anselm van Canterbury in de elfde eeuw na Christus. Hij beweerde dat het bestaan van God af te leiden is van het concept van een wezen waarvan niets groter (of perfecter) is dan aangenomen kan worden. Als zo'n wezen niet zou bestaan, zou een groter wezen aangenomen kunnen worden. Dit is echter absurd: niets kan groter zijn dan het wezen waarvan niets groter is dan aangenomen kan worden. Derhalve moet een wezen waarvan niets groter is dan aangenomen kan worden (dat wil zeggen god) wel moet bestaan.

De fout in deze redenering zit in de aanname dat bestaan een eigenschap is. Bestaan is een gegeven. Niets kan immers groots of perfect zijn als het niet bestaat. Bestaan is een vereiste voor eigenschappen.

Via de manier van redeneren zoals in het ontologische argument is zelfs perfecte leegte te bewijzen, wat zou betekenen dat niets bestaat! Ontologische argumenten zijn niets meer dan taalspelletjes en hebben geen enkel verband met de werkelijkheid waarin wij leven.

Na St. Anselm zijn er nog velen geweest die ontologische argumenten geformuleerd hebben zoals Descartes, Gödel en Plantinga.

Zie verder:
- Ontological Arguments in The Secular Web Library (Engels)